Welkom
Wij heten u hartelijk welkom op de website van de Hersteld Hervormde Gemeente Nieuwleusen. Wij nodigen u van harte uit om onze kerkdiensten bij te wonen. De aanvangstijden staan in het kort hier rechts van de pagina of klik op lees meer.

Met deze website willen wij u van actuele informatie voorzien over onze gemeente. De Hersteld Hervormde Gemeente "Rehoboth" van Nieuwleusen is een gemeente die deel uitmaakt van de Hersteld Hervormde Kerk.
Meditatie
Hopen op Gods goedertierenheid
‘Verlos mij om Uwer goedertierenheid wil’ (Ps. 6:5b)
Het koningschap van David kent diepe crises. Eén daarvan is zijn vlucht voor Absalom. Absalom begeert de troon ten koste van zijn vader. In Hebron heeft hij zich tot koning laten uitgeroepen, en met zijn aanhang nadert hij Jeruzalem. David moet halsoverkop zijn paleis en de tabernakel verlaten. De ark gaat aanvankelijk mee, maar koning David stuurt deze terug. Hij merkt op tegen priester Zadok dat hij zich overgeeft in Gods soevereine handen: ‘Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is’ (2 Sam. 15:26). David dreigt alles te verliezen, zijn woning, zijn stad, zijn troon, zelfs Gods nabijheid. Welke strijd zal dit in zijn leven teweeggebracht hebben.
Psalm 6 kent als zodanig geen opschrift waaruit we de omstandigheden van David kunnen opmaken. In psalm 3 vinden we wel een opschrift en deze psalm vertelt ons dat David op de vlucht is voor Absalom. Vervolgens volgen psalm 4 en 5 zonder opschrift, maar wel met overeenkomsten in onderwerp en woordkeus. Psalm 6 sluit aan bij psalm 5: in beiden gaat het over crisis in Davids koningschap, er zijn vijanden die hem naar het leven staan, Gods toorn over goddeloosheid wordt beschreven en Gods genadige uitredding. In beide psalmen speelt Gods goedertierenheid een centrale rol (5:8; 6:5) en gaat het over ‘werkers van ongerechtigheid’ (5:6; 6:9).
De sleutelpositie van ‘Gods goedertierenheid’ komt in psalm 5 kernachtig voor het voetlicht. Na de beschrijving van Gods afkeer van goddeloosheid en de onmogelijkheid dat een zondaar voor Gods ogen kan bestaan (5:5-7), stelt David ‘maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan’ (5:8a). Hoewel hij nu verstoken is van Gods huis, waarin de gemeenschap met God door het offer aanwezig is, zál hij terugkeren. Dit niet omdat David geen ‘man des bloeds en bedrogs’ (5:7) is, integendeel. Hij was een moordenaar van Uria, de man van Bathseba, hij was de bedrieger van koning Achis, van Joab, etc. De oorzaak vindt David enkel en alleen in ‘de grootheid Uwer goedertierenheid’.
Gods goedertierenheid is Zijn verbondstrouw. Deze goedertierenheid is een genadige trouw. Een trouw die voortkomt uit Gods verbond. Dit verbond is gesloten met Abraham en zijn zaad. Het is eenzijdig ontstaan, God heeft het genadig opgericht. De Heere houdt het ook genadig in stand. Al Davids zonden heffen Gods goedertierenheid niet op. Psalm 89:32-36 beschrijft dit heerlijk: ‘Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden; Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!’
Nu, David klampt zich in psalm 6:5 vast aan deze grootheid van Gods goedertierenheid: ‘Verlos mij om Uwer goedertierenheid’. Psalm 6 lijkt de sterke overgang van psalm 5:5-7 en 5:8 uit te werken. Het beantwoordt de vraag hoe David de zekerheid ontving dat hij in Gods nabijheid zal verkeren.
‘Verlos mij om Uwer goedertierenheid’, is één van de indringende korte en krachtige gebeden uit psalm 6. De herhaling van intense gebeden typeert de nood, de ernst, de aandrang in het hart van de gelovige. De Heilige Geest leert hoe noodzakelijk verlossing is. Hij leert dat de oorzaak van verlossing nooit ligt in onze werken en onze gerechtigheid voor God. Verlossing is alleen mogelijk door Gods goedertierenheid. Daarom past ons het gebed ‘Verlos mij om Uwer goedertierenheid’.
We hebben niet ons koningschap verloren, noch zijn we Jeruzalem ontvlucht. Wel zijn we uit de gemeenschap met God gestoten en moesten we het paradijs verlaten. Hoe terecht is dat laatste, omwille van onze afval en ongehoorzaamheid. We kunnen God niet onder ogen komen! Onze schuld is hemelhoog. Onze God is een verterend vuur en een eeuwige gloed bij wie niemand (zonder genade) wonen kan. Ons past de uitroep van de zondaren te Sion: ‘De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?’ (Jes. 33:14). Ieder waar christen herkent de taal van psalm 6: Het smeken om genade, het roepen om verlossing, het hopen op Gods goedertierenheid én het rusten in Gods ontferming.
Dit bidden en worstelen om genade is nog altijd even noodzakelijk. Wij mogen echter nooit wanhopen aan Gods genade; dat zou de grootste zonde zijn, omdat God Zelf Zijn genade aanbiedt en nooit zal herroepen wat Hij eenmaal heeft gesproken. De Heere roept ons op om onze zonden te overdenken, onze schuld voor Hem uit te spreken, maar ook om zo te vluchten tot Christus, Die volkomen zal zalig maken degenen die door Hem tot God gaan. Onze zaligheid ligt geheel buiten onszelf, in Hem Die gezegd heeft: ‘Mijn genade is u genoeg’. Roep daarom tot God, net als David: ‘Verlos mij om Uwer goedertierenheid’! Eenmaal zullen we dan eeuwig zingen van Gods goedertierenheden. ‘De Heere wilde op mijn kermen, Zich over mij ontfermen’!
ds. G.T. van Appeldoorn