Welkom
Wij heten u hartelijk welkom op de website van de Hersteld Hervormde Gemeente Nieuwleusen. Wij nodigen u van harte uit om onze kerkdiensten bij te wonen. De aanvangstijden staan in het kort hier rechts van de pagina of klik op lees meer.

Met deze website willen wij u van actuele informatie voorzien over onze gemeente. De Hersteld Hervormde Gemeente "Rehoboth" van Nieuwleusen is een gemeente die deel uitmaakt van de Hersteld Hervormde Kerk.
Meditatie
Vallen in de hand van de HEERE
Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele. (2 Sam. 24:14)
U zou maar voor de keuze staan: óf zeven jaar hongersnood, óf drie maanden lang achtervolgd worden door vijanden óf drie dagen pestilentie in het land. Een onmogelijk keuze. Het is de keuze waar David voor staat. Wat is er aan de hand?
David had een volkstelling gehouden. Hij wilde weten hoeveel onderdanen hij had. De precieze reden om deze volkstelling te houden is moeilijk te achterhalen. De Heilige Schrift geeft in ieder geval aan dat de duivel David daartoe aanspoorde. In eigen wijsheid had David besloten het volk te laten tellen. Zijn hoogmoed kwam aan het licht.
De volkstelling ligt nog maar net achter of Davids hart ‘sloeg hem’. Hij krijgt wroeging, omdat hij het volk heeft geteld. Voor hem is het duidelijk dat hij ‘zottelijk’ gehandeld heeft. Hij komt in schuld voor God en erkent zeer gezondigd te hebben. Wat doet het goed om dit te vernemen: de knecht des Heeren was enerzijds een man vol hoogmoed en trots, maar anderzijds ook een man die door genade in de schuld komt voor God.
Hij smeekt de Heere om vergeving. We zien hem als het ware voor zijn bed liggen. Hij staat dit keer niet zo vlug op als andere keren. Zodra hij in bed ligt, bidt hij verder. Een nacht vol worstelingen om de zonden die hij gedaan heeft. De zonde is ‘zottelijk’, zeer dwaas. Lezer(es), verstaat u deze worsteling van David? Hebt u zeer gezondigd en zeer dwaas gehandeld in uw leven? Wat is er dwazer dan de zonde! Een kind van God komt in de schuld. Nooit werkt de Heere daarbuiten om. Gods kind kent de worstelingen om verzoening van de zonden.
David wordt de volgende morgen wakker. Wellicht nog vermoeid en toch hebben de gebedsworstelingen zijn ziel ongetwijfeld goed gedaan. Het doet ons immers goed als de zonde weer levend wordt en voor Gods aangezicht beweend wordt. Daar ligt toch een stille vreugde in. Hoe lang kan het geleden zijn dat we verbroken waren onder onze zonden?! Hoe lang kan het geleden zijn dat we werkelijk om genade smeekten. Het kan alles zo oppervlakkig zijn, nietwaar? Dan uitten we wel dezelfde woorden, maar de kracht is eruit. Het leven zit er niet in.
David is nauwelijks opgestaan of er staat iemand voor de deur. Een gezondene. Gezonden door Israëls God. Het is de profeet Gad. Hij komt Gods Woord bekend maken. Het is geen woord van genade, al is het wel een genadig woord. Door het paleis klinkt het uit de mond van Gad: ‘Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft’ (13).
Een rechtvaardige straf zal volgen op Davids hoogmoed. God duldt hoogmoed niet en naar Zijn rechtvaardig oordeel heeft David straf verdiend. Onder deze straf ‘bukt’ David. Hij bukt onder Gods rechtvaardige oordeel. Begrijpt u dit; op de knieën voor God neer te vallen en uit te spreken: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig’... Erkent u voor Gods aangezicht Gods toorn verdiend te hebben? David bagatelliseert de zonden niet. Hij praat ze niet goed. Hij roept het wel uit: ‘Mij is zeer bange’. Hij weet zich geen raad. En toch weet hij raad: vallen in de hand des Heeren. Want God slaat ons niet uit lust tot plagen, maar laat alle dingen meewerken ten goede voor diegenen die in Zijn Naam geloven.
We kunnen ook bang zijn. Welke een ziekte en zorgen zullen ons treffen? Elke zorg en ziekte is een gevolg van onze hoogmoed. Die hoogmoed is begonnen in het paradijs en wordt tot de dag van vandaag voortgezet. We wanen onszelf groot en God klein. Alles in ons bruist van hoogmoed en trots. Hoeveel doen wíj niet zonder God. We mogen ons wel verwonderen hoe geduldig de Heere met ons is!
Laten we net als David bidden: ‘Laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen’. Gods barmhartigheid is ons geopenbaard in de Heere Jezus. Hij is de Christus, de grote Davidszoon. Jezus heeft nooit in hoogmoed gehandeld, maar in alles met de Heere geleefd. Hoeveel waarde heeft deze Schuilplaats voor ons bange hart! Wie in deze Schuilplaats is, zal wel Gods oordeel zien, maar zelf daar doorheen bewaard worden.
In Israël stierven zeventigduizend mannen. Laten wij net als David belijden: ‘Zie ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld’. En laten we bidden: ‘In den toorn, HEERE, gedenk des ontfermens’. In Christus kastijden Gods handen ons wel, maar worden we met diezelfde handen vastgehouden, geleid en eenmaal van al onze zonden bevrijd.
Ds. G.T. van Appeldoorn